Box 3 in 2026: wat u nu betaalt over spaargeld en beleggingen
Sinds het Kerstarrest van de Hoge Raad in 2021 is box 3 een van de meest omstreden onderdelen van de inkomstenbelasting. Het huidige stelsel — bedoeld als tijdelijke oplossing — geldt nog altijd in 2026, in afwachting van een definitief nieuw systeem. Wie vermogen heeft naast de eigen woning, betaalt hier vrijwel zeker mee te maken.
Hoe de berekening werkt
De Belastingdienst deelt uw vermogen in drie categorieën in, elk met een eigen forfaitair (fictief) rendementspercentage voor 2026:
- Banktegoeden en spaargeld: 1,28% verondersteld rendement
- Overige bezittingen (beleggingen, tweede woning, overige vermogensbestanddelen): 6,00% verondersteld rendement
- Schulden: 2,70% aftrekbaar, voor zover boven de drempel van €3.800 (€7.600 met fiscaal partner)
Over het vermogen boven het heffingsvrije bedrag — €59.357 voor alleenstaanden, €118.714 voor fiscale partners samen — betaalt u 36% belasting over het berekende forfaitaire rendement. Contant geld tot €672 per persoon telt niet mee.
Een rekenvoorbeeld
Heeft u €400.000 aan beleggingen en geen schulden, dan is het forfaitaire rendement 6% × €400.000 = €24.000. Na aftrek van het heffingsvrije vermogen (€59.357) resteert een grondslag van €340.643, waarover u 36% betaalt: circa €8.640 — ongeacht of uw beleggingen dat jaar daadwerkelijk 6% opleverden.
Tegenbewijsregeling: had u minder rendement?
Kon u aantonen dat uw werkelijke rendement lager was dan het forfaitaire percentage, dan kunt u — als gevolg van de rechtsherstel-uitspraken — om een lagere aanslag vragen op basis van het daadwerkelijke rendement. Dit vraagt wel gedetailleerde onderbouwing en is met name relevant voor wie voornamelijk spaargeld aanhoudt in een jaar met lage rente.
Bedragen en percentages: standlijn 2026. De percentages voor spaargeld en schulden worden doorgaans pas begin van het volgende jaar definitief vastgesteld.
Wilt u dit soort duiding elke twee weken in uw inbox?
Gratis aanmelden